Wijl limonade stuimig vloeit
een vrolijk daas waait neer
De gasten lachen vol gejuich
en roepen luid om meer.
Maar als de maan de hemel zaalt
de druppeltrom stomt stil
en in het dompel van het schiem
de Strompel kraait zijn gil
Het feestgespuis klampt adem in,
geen keel wordt nog geslokt
Angst waart onder donderzwicht,
een ieders adem stokt.
Een schaduw, zwoeg en zwonkel
grimt ras van rots naar kei.
Daar klinkt ‘t tasem van Strompel,
de grauwel komt naderbij.
Dan roert Ruben de druppeltrom,
eerst windzucht en waaizacht,
maar ras vol fluit en trotstamboer
tot Strompel stilt de nacht.
Dan is er feest als nimmerloos
en liedzang over tongen vloeit,
wijl Ruben met zijn nieuwe naam
dapper het donker duister gloeit.
eerste publicatie in Simioles in 1992
geïnspireerd door Jabberwocky
